Aanmelden
Kraamzorg
Aanmelding voorbereiden
Kennisbank

Suiker in jaar één: het gaat om beleid

28 augustus 2026 · Praktische kraamzorggids

Illustratie: kraamverzorgende en ouder vergelijken potjes babyvoeding aan de keukentafel, baby in kinderstoel

Een ouder zit aan de keukentafel met drie potjes babyvoeding voor zich en draait ze om. Op de voorkant staat wat er in zit. Op de achterkant staat hoeveel suiker erin zit, in een lettergrootte waar je een bril voor nodig hebt. De kraamverzorgende die naast haar zit heeft die vraag deze week al vier keer gehad.

Er is nu een studie die dat gesprek een stuk zwaarder maakt. Gezondheidseconomen Chen Zhu (China Agricultural University) en Weilong Zhang (University of Cambridge) gebruikten gegevens van bijna 65.000 mensen uit de UK Biobank, geboren tussen 1951 en 1956. De Britse suikerrantsoenering uit de oorlog liep in september 1953 abrupt af, waarna de gemiddelde suikerconsumptie snel verdubbelde. Wie zijn eerste duizend dagen, vanaf de conceptie tot ongeveer de tweede verjaardag, volledig onder die rantsoenering doorbracht, had als volwassene 69 procent minder vaak leverkanker, 52 procent minder vaak prostaatkanker, 41 procent minder longkanker, 40 procent minder endeldarmkanker en 36 procent minder borstkanker. Ook waren de telomeren gemiddeld langer, wat overeenkwam met ongeveer 2,2 jaar minder biologische veroudering. Ook daar geldt de kanttekening die Scientias er zelf bij zet: dat is een biomarker, niet 2,2 jaar langer leven. De studie verscheen op 4 augustus in PNAS; Scientias bracht het vrijdag in het Nederlands.

Die 69 procent is relatief, en dat verschil is groter dan het lijkt

Eerst het rekenwerk, want hier gaat het bijna altijd mis in de doorvertelling. Het zijn relatieve verschillen. Leverkanker is zeldzaam. Als het absolute risico in de ene groep bijvoorbeeld enkele gevallen per tienduizend mensen is, dan is 69 procent minder nog steeds een klein absoluut verschil. Wie het cijfer leest als “mijn kind heeft 69 procent minder kans”, leest iets anders dan er staat. Scientias zegt dat zelf ook met zoveel woorden, en het is de zin die in samenvattingen als eerste sneuvelt.

Wat de studie sterk maakt is niet de omvang van het effect maar het ontwerp. Niemand koos zelf voor weinig suiker; het einde van de rantsoenering was een abrupte beleidswijziging die niets met de gezondheid van individuele gezinnen te maken had. Dat maakt de vergelijking harder dan een gewone voedingsstudie waarin mensen zelf invullen wat ze eten. Maar observationeel blijft het: de daadwerkelijke suikerinname van deze baby’s en hun moeders is nooit gemeten, en er veranderde in 1953 meer dan alleen suiker.

De winst zit in het beleid, niet in het schuldgevoel van de ouder

Hier nemen wij wél een standpunt in, en dat gaat uitdrukkelijk over beleid en niet over wat u uw kind moet geven. De onderzoekers vonden dat de rantsoeneringscohorten vijf decennia later nog steeds minder suiker consumeerden en een gevarieerder voedingspatroon hadden. Zhang wijst op twee mechanismen: een biologisch, waarbij vroege voeding de ontwikkeling van stofwisseling en immuunsysteem beïnvloedt, en een gedragsmatig, waarbij een voorkeur voor minder zoet die vroeg ontstaat blijft hangen.

Dat tweede mechanisme is een aanwijzing dat de smaakinstelling in het eerste levensjaar wordt gezet. En dan valt op waar de regels wél en niet over gaan. Voor zuigelingen- en opvolgvoeding gelden samenstellingseisen uit EU-verordening 2016/127, en voor bewerkte graanvoeding en babyvoeding geldt de Warenwetregeling Babyvoeding. Babyvoeding is dus bepaald niet ongereguleerd. Wat ontbreekt is een bindende bovengrens voor toegevoegde suikers in álle producten die voor kinderen onder de drie in de schappen liggen, en juist daar zitten de koekjes, toetjes en knijpzakjes die geen zuigelingenvoeding heten. Een norm die voor die hele categorie geldt, doet in dit dossier meer dan nog een voorlichtingsfolder. Wat een ouder in een kraamweek te horen krijgt over voeding hoort niet af te hangen van hoe goed die ouder een etiket kan lezen.

Wij duwen dit richting de kraamweek, en dat is te vroeg

De zwakke plek van onze eigen redenering is het tijdstip. Deze studie gaat over de eerste duizend dagen vanaf de conceptie. De kraamweek is daar acht dagen van. Wat een kraamverzorgende in die week over voeding zegt, blijft hangen, maar het echte suikermoment ligt maanden later, bij de start van vaste voeding, en dan is er meestal niemand meer die meekijkt. Wie deze studie gebruikt als argument om in de kraamweek nog meer voorlichting te proppen, verplaatst het gesprek naar het moment waarop het het minst uitmaakt.

Daar komt bij dat het jaartal telt: dit gaat over baby’s uit 1951 tot 1956. Hun voedingspatroon, hun blootstelling aan alles behalve suiker en hun latere leven verschillen op tientallen manieren van dat van een kind dat vandaag geboren wordt. Wat overblijft is een sterke aanwijzing over vroege voeding, geen doorgerekende voorspelling voor deze generatie.

Zet de voedingsvraag in je intakegesprek, niet in de kraamweek zelf

Ben je zwanger en heb je binnenkort je intake, schrijf er dan één vraag bij: hoe ver loopt de begeleiding rond voeding door na de kraamweek, en bij wie kom je terecht als je over een paar maanden aan vaste voeding begint. Het antwoord verschilt per organisatie en per zorgverzekeraar, en het is een van de weinige dingen die je vooraf nog kunt kiezen. Ons stuk over de checklist voor het intakegesprek loopt de rest van die vragen langs.

Werk je zelf in de kraamzorg, dan is de praktische variant: noteer bij de overdracht aan de jeugdgezondheidszorg wat er over voeding is besproken. Dat is de enige plek waar dit onderwerp het gat tussen dag acht en maand zes overleeft. Wat je vooraf over voeding kunt afspreken staat in borstvoedingsbegeleiding vragen en in flesvoeding vooraf bespreken.

Volgt er een norm voor suiker in babyvoeding, of blijft het bij een etiket?

Het eerstvolgende moment dat er echt toe doet, ligt in Brussel en Den Haag: komt er een bindende bovengrens voor toegevoegde suikers in producten voor kinderen onder de drie, of blijft het bij informatie op de verpakking. Zolang het bij het etiket blijft, ligt de opgave bij de ouder aan de keukentafel met drie potjes en een leesbril. Verschijnt er een norm, dan is dit onderzoek het soort bewijs waar zo’n norm op gaat leunen.

Dit artikel bespreekt de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en is geen medisch of voedingsadvies. Vragen over de voeding van jouw kind horen bij de verloskundige, de jeugdarts of het consultatiebureau.